top of page
Zoeken

De jongen in New York

  • Foto van schrijver: henrytimisela
    henrytimisela
  • 7 nov 2025
  • 4 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 17 nov 2025

Het begon met een ticket. Een enkele reis, gekocht op een middag waarop ik wakker werd met het gevoel dat blijven in Nederland geen optie meer was. Ik had genoeg geld voor een paar weken, een camera die zwaarder woog dan ik had verwacht, en een hoofd vol ideeën over wat vrijheid betekende. In 2009 stapte ik op het vliegtuig naar New York. Niet omdat ik precies wist waarheen, maar omdat iets in me fluisterde: ga. Ik zou pas maanden later terugkeren.


Ik kwam terecht in Queens, bij een Indonesische familie die ik kende via-via. Via-via. Onthoud die woordencombo. Ze woonden in een ogenschijnlijk smal huis met een stoep vol vuilnisbakken en pickup trucks (maar binnen huisde een complete familie, en als ik zeg compleet, dan bedoel ik compleet). De brievenbus hing scheef en zag eruit alsof hij verhalen bewaarde die niemand meer las. Oma opende de deur.


Zelfportret in mijn kamer in Elmhurst, Queens - september 2009.
Zelfportret in mijn kamer in Elmhurst, Queens - september 2009.

Deze sassy Indo-oma had ooit in Helmond gewoond. Ze vertelde daar graag over, met een stem die nog wat weg had van bawang goreng in de polder. Ze sprak Nederlands met een accent dat nergens echt thuishoorde, maar juist daardoor overal. "Henrrrry, joe ken tidoer in dat kamer," zei ze terwijl ze thee inschonk in koppen die niet bij elkaar pasten. "Joe kom here for apa eigenlijk? Joe are young, joe wil zeker de wereld zien". De Molukse dominee die mij had opgehaald van JFK Airport nam afscheid, bedankte de oma dat zij deze ‘Nyong Ambon’ in huis wilde hebben en vertrok. Hij was mijn via-via.


Samen met bapa pendeta Yafet Talaksoru, september 2009
Samen met bapa pendeta Yafet Talaksoru, september 2009

Oma en ik aten nasi goreng midden in de nacht in Elmhurst, Queens, omdat tijd in dat huis niets betekende en honger alles.


Overdag dwaalde ik door de stad als een verliefd mens. Ik fotografeerde straathoeken waar het licht precies goed viel, wolkenkrabbers die de hemel raakten alsof ze hem wilden omarmen, mensen in haast die toch even bleven staan voor een kind met een ijsje. Alles was nieuw. De geluiden. De geuren van hotdogs op de straathoek en verse pretzels. De snelheid waarmee de stad ademde, alsof ze bang was stil te vallen.


Soms dacht ik dat New York me verslond.


Andere keren voelde het alsof ze me droeg, zoals een moeder dat doet. Onhandig soms, maar altijd vast.


Ik nam vaak de laatste E-train naar Elmhurst, richting Jamaica. Het was een rit vol types die hun dag uitrolden in een stilte die niet leeg was, maar vol. Een man met een trompet die zachtjes oefende op een melodie die ik ergens dacht te herkennen. Een vrouw met een hondje in haar tas dat naar me knipoogde. Jongeren die te hard lachten om niets, en juist daardoor om alles. Ik fotografeerde wat ik zag.



De metro rook naar metaal, koffie en zweet. Naar mensenlevens in beweging. Ik zat daar tussenin met mijn camera op schoot, alsof ik deel uitmaakte van een film waarin ik de figurant was die per ongeluk in beeld bleef en toch belangrijk.


's Avonds schreef ik dan in een notitieboek met een kaft die langzaam losliet (ik heb 'm nog ergens in mijn persoonlijk archief). Over licht dat door gordijnen viel. Over mensen die me een moment gaven. Over mezelf, zonder te weten dat ik eigenlijk gewoon probeerde te begrijpen wat het betekende om érgens te zijn. Niet als toerist met een wandelkaart. Niet als bewoner met een sleutel. Maar als iemand die wilde horen bij iets groters dan zichzelf.



Soms voelde ik me verloren tussen al die miljoenen, maar nooit eenzaam. Er was altijd iemand die iets vertelde. Een verhaal over een thuisland of een droom. Een lach die bleef hangen. En in al die ontmoetingen, in al die kleine gebaren, zat iets wat ik pas later begreep: ik was niet op zoek naar een plek op de kaart. Ik was op zoek naar mezelf in een andere taal, een andere cadans, een ander ritme van adem.


De stad leerde me dingen die ik niet in boeken kon vinden. Hoe je beweegt als alles sneller gaat dan jij, zonder jezelf te verliezen. Hoe je vertrouwen vindt in het onbekende, met je hart als kompas. Hoe je leeft van dag tot dag, niet omdat het moet, maar omdat het niet anders kán en dat dat geen zwakte is, maar kracht. Van het een naar het ander. Via-via.


Ik schoot graag analoog in die tijd.
Ik schoot graag analoog in die tijd.

Nu, jaren later, denk ik daar vaak aan terug. Aan die jongen met te veel dromen en te weinig geld. Met oranje sneakers en een glimlach die te groot was voor zijn gezicht. Die dacht dat de wereld ergens anders begon, terwijl hij er allang middenin stond.


Binnenkort vertrek ik opnieuw. Niet naar New York. Niet zo lang als toen. Maar dat wordt een andere reis. Of toch niet. Ik ga niet om te zoeken wat ik kwijt ben, maar om te herkennen wat ik ooit vond: dat het pad ontstaat doordat je het loopt. Met warme voeten en een open hart.


Misschien is dat de ware kunst van reizen; niet de afstand die je aflegt of de stempels in je paspoort, maar het deel van jezelf dat je meeneemt. En het deel dat je durft achter te laten.


Via-via vind je de weg. Via-via word je wie je bent.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page